home

Sinds 1963

 

Theorie achter het

Holistisch Karatedo Systeem en het

Holistisch Weerbaarheid Systeem

Karatedo Academie Harthoorn (Hans Harthoorn) heeft de twee boven vernoemde systemen ontwikkeld.

Mijn eerste inspirator is Prof. Dr. K. Rijsdorp geweest die met zijn colleges over " Gestalt, totaal bewegen en Situatieve Didactiek" de basis heeft gelegd in een vertaling naar de martiale disciplines.

In mijn studie Lichamelijke Opvoeding heb ik in een scriptie de Japanse lichaamsoefeningen onderzocht. Hier bleek als snel dat de geïsoleerde bewegingspatronen kenmerkend waren voor de Japanse werkwijzen. Herhaling van dezelfde bewegingspatronen in hoog tempo en intensiteit zijn eveneens typerend.

Het begrip "DO" dat in alle Budodisciplines als achtervoegsel voorkomt heeft naar mijn mening de zelfde betekenis als het achtervoegsel "opvoeding en vorming" in de begrippen lichamelijke opvoeding en lichamelijke vorming.

Agogiek dat in de term bewegingsagoog en pedagoog voorkomt heeft ook een verwantschap.

Agogisch bezig zijn houdt in dat men een veranderingsproces in een positieve richting tracht te beïnvloeden zonder de eigenheid van de persoon aan te tasten.

"Do" in de letterlijke betekenis betekent "weg waarlangs" het geen zich moeilijk in een Nederlands begrip laat vertalen.

Wel is het Japanse begrip Shu Ha Ri een hulp. Deze driedeling in de vorming en het veranderingsproces van een Budoka bestaat uit:

SHU ( Gehoorzaam aan de traditie, d.w.z. doen wat de leraar zegt)

HA ( Bevrijding van het systeem)

RI (Vrijheid)

Parallellen zijn te vinden in het oude "Gazellensysteem" van de ambachtslieden en het proces van jeugd, middelbare leeftijd en ouderdom.

Deze voorgaande uitgangspunten en de ervaringen die ik heb gehad als lichamelijke opvoeder, bewegingsagoog, (top)sporter en manager hebben mij er toegebracht een totaliteitsbenadering in karatedo en zelfverdediging na te streven.

Om deze totaliteitsgedachte vorm te geven in één begrip is voor "Holistisch" gekozen.

Het woord Holisme is afkomstig van het Griekse woord Holos dat "geheel" betekent.

De eerste betekenis die men in het Nederlands aan deze theorie kan geven is: "het geheel is meer dan de som der delen".

Bij een zoektocht naar dit begrip komen via Internet bij R. Bidares en Sylvia Alphen en vinden de volgende definitie van Holisme

Definitie Holisme:

De ontologische visie gaat er van uit dat het geheel, zoals een structuur , als eenheid bestaat. Bij een analyse van het geheel als een samenstelling kan de aard van het geheel niet worden verklaard met (alleen) wetmatigheden die voor de afzonderlijke onderdelen opgaan. De samenstelling is "organisch": het is nodig om wetmatigheden over het geheel in aanmerking te nemen – het geheel is meer dan de som van de onderdelen.

 

 

 

Definitie Ontologie:

Leer over hoe de wereld ten diepste in elkaar steekt /over de belangrijkste eigenschappen van datgene wat bestaat/ over datgene wat alle bestaande dingen met elkaar gemeen hebben.

Een verdere zoektocht naar het begrip Holisme bracht me bij het onderstaande het geen ik met dank aan de auteur (Rieuwert Kok) integraal overneem, omdat ik bij hem de zelfde schrijvers en denkers uit mijn studie bij Prof. Rijsdorp tegenkwam.

Heelheid - Holisme - Integratie – Synthese

Het algemene probleem van de 'eenheid' en de 'delen' van een systeem evenals van de verhouding tussen eenheid en delen is een fundamenteel vraagstuk, zo oud als de mensheid, vanaf yin-yang tot en met modernisme-postmodernisme.

Structureel: Eenheid versus delen van een systeem.

Procesmatig: Integralisme versus incrementalisme. Holisme ('Das Wahre ist das Ganze') versus voor(ui)tgang bij stukjes en beetjes ('muddling through', voortmodderen)

Politiek en (overheids)beleidsmatig correspondeert de benadering 'eenheid versus delen' met gerichtheid op het lange-termijndenken versus het korte-termijndenken.

In de Europese cultuurgeschiedenis sinds de Franse Revolutie is J.W. von Goethe (1749 - 1832) een trendsettende synthesedenker geweest. Hij ontwikkelde onder meer het begrip 'Ganzheit': de voortdurende metamorfose van de levende natuur steeds begrijpen vanuit 'het geheel' van de organismen. Herontdekking van de oude wijsheid, dat het geheel meer is dan de som van de delen. Na- en voortbouwend op Goethe hebben zich tal van schrijvers uit het Duitse, Engelse en Latijnse (in het bijzonder de Franse) taalgebied1 tot het midden van de 20e eeuw bezig gehouden met dit 'heelbeidsdenken'

Enkele voorbeelden:

J. von Uexküll (1864 - 1944)

C. von Monakow (1853 - 1930)

M. Wertheimer (1880 - 1943)

K. Goldstein (1878 - 1965)

J.C. Smuts (1870 - 1950)

P. Teilhard de Chardin (1881 - 1955)

Hebben zij elkaar beïnvloed bij hun synthesedenken, bij hun denken vanuit de 'Ganzheit'? Uit hun geboorte- en sterftejaartallen blijkt dat zij allen jarenlang tijdgenoten waren; de overlappingperiode van de levens van deze denkers bedraagt ten minste een halve eeuw. In beginsel hebben zij - gerekend vanaf hun twintigste levensjaar - tijdens hun gemeenschappelijke levensperiode ten minste drie aaneengesloten decennia lang kennis kunnen nemen van elkaars gedachtegangen als toenmalige actualiteiten. Door deze synchroniciteit beleefden zij allen dezelfde tijdgeest, gekenmerkt door synthesedenken in verschillende vormen en op verschillende (wetenschaps)gebieden. Synthesedenken zat toen als het ware 'in de lucht'. Synthesedenken, dat toen - wegens zijn tegendeel in de praktijk van alledag - wellicht nóg sterkere impulsen kreeg, omdat en naarmate de dagelijkse leefwereld tijdens de eerste helft van de 20e eeuw meer en meer versplinterde (twee wereldoorlogen!). Of deze 'heelheids'-denkers elkaar, ondanks ampele mogelijkheden daartoe, daadwerkelijk beïnvloed hebben in hun gedachtegang vergt inhoudelijke tekst-analyse van publicaties van hen en over hen.

Wat betreft beide laatstgenoemde denkers (Smuts en Teilhard de Chardin) zou, bij wijze van voorbeeld, een eerste aanzet als volgt kunnen zijn.

Jan Christian SMUTS (1870 - 1950)

Telg uit een Nederlands geslacht, dat in 1694 in VOC-dienst naar Kaap De Goede Hoop kwam. Veelzijdig Zuidafrikaans geleerde, generaal en staatsman; tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij, na Roosevelt en Churchill, de belangrijkste politieke figuur bij de Westelijke Geallieerden. Na de oorlog concipieerde hij voor de Verenigde Naties het 'Handvest voor de Rechten van de Mens'.

Tussen 1912 en 1933 bewoog hij zich veel op filosofisch gebied; als hoofdwerken schreef hij toen 'An Inquiry into the Whole' (1912) en 'Holism and Evolution' (1926)3 Daarin wordt holisme omschreven als 'de ultieme activiteit die pulseert door alle andere activiteiten in het universum'. Zowel in het leven als in de wetenschap mogen delen van de werkelijkheid nooit geïsoleerd behandeld worden. 'Het universum bestaat uit dynamische creatieve gehelen, die naar nieuwere vormen van grotere perfectie streven, tot aan het ontstaan van ideale gehelen als Waarheid, Schoonheid en Goedheid'. Doelgerichtheid van de evolutie.

Pierre TEILHARD de CHARDIN (1881 - 1955)

Veelzijdig Frans geleerde: anthropogeneticus, geoloog, paleontoloog, theoloog. Bij zijn wetenschappelijke onderzoekingen vormde zich bij hem geleidelijk een wereldbeeld, gericht op een allesomvattende synthese, waarin elk verschijnsel zijn juiste plaats zou krijgen. Werkelijkheid dus niet als een verzameling losse fragmenten (à la het postmodernisme), maar als een relationeel, organisch samenhangende eenheid. Deze conceptie, een soort fenomenologie van het kosmische, heeft hij neergelegd in zijn boek 'Le phénomène humain', geschreven tussen juni 1938 en juni 1940, aangevuld in 1947 en 1948. Daarin ontwikkelde hij als persoonlijk getuigenis zijn synthesevisie, zijn 'zin voor de totaliteit': een in een bepaalde richting (koers W ) evoluerend heelal als eenheid, waarin alles met alles in toenemende complexiteit verbonden raakt op een steeds hoger (bewust)-zijnsniveau. Een procestheologie: een stroom van elkaar beïnvloedende gebeur-tenissen, een stroom met grote scheppende kracht en kwaliteit.

Reeds deze vluchtige hoofdlijnenverkenning van (de essentie van) het gedachtegoed van Smuts en Teilhard doet vermoeden, dat beiden een opvallend analoge totaalbenadering, een vergelijkbare 'holistische' visie hadden. Het opsporen van overeenkomsten en verschillen tussen beider visies vergt echter veel nader onderzoek van degene, die daarin geïnteresseerd is. Wie het gedachtegoed van grote denkers (in casu Smuts en Teilhard) wil uitdragen, dient zich niet te verliezen in hagiografieën, maar objectief-zinvolle vergelijkingen tussen hun denkwerelden te maken.

Mogelijke mentale wisselwerking tussen Teilhard en Smuts kan plaats gehad hebben in algemene en in specifieke zin. In algemene zin vanwege de toenmalige tijdgeest, omdat de tijd, waarin zij leefden, blijkbaar rijp was voor synthesedenken. In specifieke zin lijkt eventuele kruisbestuiving van Teilhard en Smuts zich voltrokken te (moeten) hebben in de richting Smuts® Teilhard; niet omgekeerd, gezien het kwart eeuw tijdsverschil in de verschijningschronologie van hun hoofdwerken (Smuts 1912/1926 en Teilhard 1938/1948) Tegen dit laatste pleit echter weer dat Teilhard zijn ideeën, verwoord in 'Le phénomène humain', reeds ontwikkeld schijnt te hebben in de jaren 1916 - 1926 (gelijktijdig met Smuts dus).

Teilhard was onder meer 'fellow' van het Engelse 'Royal Anthropological Institute' en tijdens zijn laatste levensjaren in New York medewerker van de 'Wenner-Gren Foundation for Anthropological Research'. In die Angelsaksische sfeer kàn Teilhard kennis genomen hebben van Smuts' holisme-filosofie en daaruit inspiratie hebben geput voor zijn eigen denkbeelden en oeuvre. Een ondubbel-zinnig bewijs daarvan is echter pas te leveren, indien Teilhard zèlf in één of meer van zijn geschriften Smuts' publicatie(s) en/of ideeën expliciet zou hebben aangehaald, al dan niet met instemming. Dit laatste nu lijkt een interessant onderzoeksonderwerp, in het bijzonder voor het Teilhard-topinstituut, de 'Fondation Teilhard de Chardin' te Parijs. Hoewel deze stichting aanvankelijk berichtte - mirabile dictu - vooralsnog geen aanwijzingen te kunnen vinden voor contacten tussen Teilhard en Smuts, is uit latere informatie van de stichting gebleken, dat Smuts en Teilhard elkaar wel degelijk bekend waren, althans na de Tweede Wereldoorlog.

Wat de ontwikkeling van gedachten inzake integralisme versus incrementalisme in de tweede helft van de 20e eeuw betreft (na het overlijden van Smuts en Teilhard de Chardin) verdient in dit verband het volgende nog aantekening:

- Tijdens de tweede eeuwhelft heeft het holistisch gedachtegoed, zoals dat is uitgedragen door Smuts en Teilhard, naast waardering ook veel kritiek ondervonden in de geest van typeringen zoals: 'een spiritueel-filosofische hutspot waarin alles met alles samenhangt', 'gewauwel, maar veelzeggend gewauwel', 'het zich in mysteries en esoterie wentelen' en 'een kosmische knutsel- en knuffelcultuur voor moderne individualisten als een eigentijdse geruststellings-industrie'. Tóch is het holisme (weer) opgepakt, niet (zozeer) vanuit kerken en/of a -wetenschappen, maar - let wel - paradoxalerwijze juist vanuit b -wetenschappen met hun strenge logica ('crisp logic'): 'From physics to metaphysics'. In het bijzonder in astronomie en kernfysica tekenen zich invloedrijke stromingen af, gericht op één alles omvattende, overkoepelende 'Theorie van Alles'. Zo'n universele 'Great Unifying Theory' zou "alle natuurwetten verenigen tot één enkele stelling, waaruit de onvermijdelijkheid volgt van alles wat was, is en komen zal" om de woorden aan te halen van één van de coryfeeën van deze stromingen, J.D. Barrow, in zijn boek 'Theorieën over Alles; zoektocht naar de alles omvattende waarheid' (1992):

a + b = g

Wat het Nederlandse taalgebied betreft valt onder meer te noemen de kleinzoon van de staatsman 'vader' Willem Drees, W.B. Drees, één van de weinige Nederlanders - zo niet de enige - die gedoctoreerd zijn zowel in de natuurwetenschappen als in de theologie. In zijn proefschrift 'Beyond the Big Bang' ('Heelal, Mens en God; vragen en gedachten', 1989) verdedigt hij als een soort Nederlandse Teilhard de Chardin (die hij ook expliciet noemt) de holistische stelling, dat de inzichten uit de natuurwetenschappelijke discipline wel degelijk van pas kunnen komen in de theologische discipline. Voorwaarde voor deze kruisbestuiving is, dat de theologie de taal van natuurwetenschappen in haar eigen terminologie moet verwerken om in deze tijd nog relevant te zijn.

- Holistische denkbeelden worden onder meer gekenmerkt door gedachten over zichzelf organiserende hiërarchieën van toenemende complexiteit op steeds hogere (bewust)zijnsniveaus. De indrukwekkende voor(ui)tgang van wetenschappen in de tweede helft van de 20e eeuw legt een steeds grotere nadruk op het verschijnsel 'complexiteit'. Vanuit Angelsaksische hoek pleit men zelfs voor een aparte 'complexiteitswetenschap', die men als de wetenschap van de 21e eeuw bestempelt. Maar deze complexiteitswetenschap wil vèrder kijken dan complexi-teit. Wetenschappen hebben ons in de afgelopen decennia doen zien, dat uit relatief eenvoudige processuele beginvoorwaarden duizelingwekkend ingewikkelde (vervolg)situaties kunnen ontstaan. De daarop gerichte theorie van de niet-lineaire complexe dynamische systemen (in de wandeling chaostheorie genaamd, doch beter aan te duiden als zelfordeningstheorie) kan nu goed verklaren dat uit eenvoud complexiteit ontstaat, en ook hoe en waarom. Maar nog verder reikt de vraag: Hoe ontstaat (zoals wij in de praktijk zien) dan weer eenvoud uit die adembenemende complexiteit?

De nieuwste gedachtegangen van de complexiteitswetenschap lopen procesmatig dus van eenvoud naar complexiteit (als vanouds) en vandaaruit {dat is het novum van spiegelbeeldige wisselwerking) van complexiteit weer naar 'simplexiteit' (aldus genaamd ter onderscheiding van 'eenvoud' uit het beginstadium) Deze gedachtegangen met bijbehorende praktijkrecepturen zijn theoretisch èn praktisch van belang; praktisch bijvoorbeeld bij (overheids)beleidsmatig handelen, waarbij in de complexiteit van bijzonder ingewikkelde besluitvormingssituaties toch simpele, heldere 'go-/no-go'-beslissingen moeten worden genomen.

Kortom: Holistische denkstof te over!